Doolaege, Verbist & De Meyere
Belasting op tweede verblijven : niet voor elke gemeente toepasbaar.
10-04-2020

Geen belasting die vandaag zoveel in de kijker staat als de belasting op tweede verblijven.

 

Vele eigenaars van een tweede verblijf ergeren zich aan het feit dat ze, door de Covid-19-maatregelen, niet welkom zijn aan de kust, doch binnenkort wel het aanslagbiljet voor de belasting op tweede verblijven zullen ontvangen.

 

huisje

 

De belasting op tweede verblijven vond in de loop van de jaren 1970 zijn ingang in de lokale fiscaliteit. De belasting werd toen omschreven als een compensatie voor de niet-betaling van de aanvullende gemeentebelasting op de personenbelasting. Begin de jaren 90 werd de belasting eerder aanzien als een weeldebelasting. Het niet-verschuldigd zijn van de aanvullende belasting op de personenbelasting werd in die tijd namelijk niet aanvaard als verantwoording voor het gemaakte onderscheid, aangezien de gemeente zelf beslist of en hoeveel aanvullende belasting op de personenbelasting zij heft.

 

De laatste tien jaar wordt door de meeste gemeenten de belasting op tweede verblijven gemotiveerd als een compensatie voor het niet betalen van de aanvullende belasting op de personenbelasting voor de betreffende verblijfsgelegenheid. Deze motivering wordt over het algemeen ook wel aanvaard in de rechtspraak.

 

Evenwel zijn er een aantal Vlaamse gemeenten die geen aanvullende belasting op de personenbelasting heffen (zoals De Panne, Knokke-Heist en Koksijde).

Deze gemeenten kunnen de belasting op tweede verblijven niet als compenserende heffing verantwoorden en moeten dan zoeken naar een andere motivering. Dit leidde in de afgelopen jaren tot de meest vreemde motivering van de belastingreglementen. Uit de recente rechtspraak van het Hof van Beroep te Gent (en het Hof van Cassatie) blijkt evenwel dat deze motivering niet in elk geval als pertinent wordt aanvaard. Het Hof van Beroep te Gent grijpt daarbij terug naar het compenserend karakter van de belasting op tweede verblijven. Voor die gemeenten waar er geen aanvullende belasting op de personenbelasting wordt geheven stelt het Hof van Beroep vast dat de eigenaars van een tweede verblijf in concreto worden gediscrimineerd, aangezien eigenaars die zijn gedomicilieerd op het grondgebied van de gemeente en zich, gelet op het doel van de belasting, in een gelijke situatie bevinden, niet aan de belasting worden onderworpen (zie Gent 1 oktober 2019 inzake Koksijde en Gent 3 december 2019).

 

Het is niet voor elke kustgemeente kommer en kwel. Voor onder meer de gemeente Middelkerke werd de belasting op tweede verblijven wel aanvaard door het Hof van Beroep te Gent, waarbij het Hof oordeelde dat een tarief van 5% aanvullende belasting op de personenbelasting niet als bijzonder laag moet worden beschouwd. De belasting op tweede verblijven wordt voor die gemeente verantwoord geacht als vorm van compensatie ten aanzien van de aanvullende belasting op de personenbelasting ten laste van de inwoners (zie Gent 10 september 2019).

 

Het lijkt er dus meer en meer op dat de belasting op tweede verblijven enkel wordt aanvaard als compenserende heffing voor het feit dat de inwoners aanvullende belasting op de personenbelasting betalen, terwijl de eigenaars/gebruikers van een tweede verblijf niet op dezelfde wijze bijdragen in de gemeentelijke uitgaven. De gemeenten die geen aanvullende belasting op de personenbelasting heffen kunnen zich verwachten aan succesvolle betwistingen van de belastingaanslagen op tweede verblijven en zullen mogelijks op termijn hun fiscaal beleid moeten wijzigen. Het heffen van een belasting op tweede verblijven blijft uiteraard mogelijk, maar dan zullen deze gemeenten ook een aanvullende belasting op de personenbelasting moeten heffen, maar dat is natuurlijk voor de inwoners van de betreffende gemeenten niet de meest populaire maatregel.

 

Wordt ongetwijfeld vervolgd.