Doolaege, Verbist & De Meyere
Belastingverhoging in geval van laattijdige aangifte inzake inkomstenbelastingen: einde van de discussie in zicht?
01-10-2021

Wanneer een belastingplichtige een laattijdige aangifte inkomstenbelastingen (personenbelasting, vennootschapsbelasting, rechtspersonenbelasting of belasting van niet-inwoners) heeft ingediend, zal de belastingadministratie bij het vestigen van de aanslag doorgaans een belastingverhoging opleggen. De belastingadministratie doet dit dan op grond van art. 444 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna: WIB’92).

 

Het eerste lid van dit artikel bepaalde tot voor kort dat een belastingverhoging wordt opgelegd bij “niet-aangifte of in geval van onvolledige of onjuiste aangifte”. De tekst van art. 444, eerste lid WIB’92 voorzag niet uitdrukkelijk in de mogelijkheid om een belastingverhoging op te leggen in geval van een laattijdige aangifte. Dit leidde vaak tot geschillen tussen belastingplichtigen en de belastingadministratie, die meent dat een laattijdige aangifte kan worden gelijkgesteld met een niet-aangifte.

 

Bij arrest van 15 maart 2018 (rolnr. F.17.0004.N) heeft het Hof van Cassatie echter geoordeeld dat een laattijdige aangifte niet kan worden gelijkgesteld met een niet-aangifte. Op grond van de tekst van art. 444 WIB’92 kon er volgens het Hof van Cassatie enkel een belastingverhoging worden opgelegd in geval van niet-aangifte, onvolledige aangifte of onjuiste aangifte, niet in geval van een laattijdige aangifte. Deze duidelijke rechtspraak werd daarna nogmaals bevestigd door het Hof van Cassatie bij arrest van 25 september 2020 (rolnr. F.18.0137.N).

 

Inmiddels werd de tekst van art. 444, eerste lid WIB’92 aangepast door de wetgever. Door de Wet van 30 juni 2017 houdende maatregelen in de strijd tegen de fiscale fraude wordt namelijk met ingang van 17 juli 2017 uitdrukkelijk voorzien dat ook bij een “laattijdige overlegging van de aangifte” een belastingverhoging wordt opgelegd.

 

rekeningen

 

De wetgever heeft daarbij over het hoofd gezien dat art. 444, eerste lid WIB’92, naast het bepalen in welke gevallen er een belastingverhoging kan worden opgelegd, enkel voorzag dat deze belastingverhoging wordt berekend op “de op het niet aangegeven inkomstengedeelte verschuldigde belastingen”. Art. 444, eerste lid WIB’92 bepaalde dus niet dat een belastingverhoging ook kon worden berekend met betrekking tot het laattijdig aangegeven inkomstengedeelte. Dit was problematisch, aangezien voormelde zienswijze van het Hof van Cassatie met betrekking tot het eerste zinsdeel van art. 444, eerste lid WIB’92 (met name dat een laattijdige aangifte niet kan worden beschouwd als een niet-aangifte) volgens ons ook kan worden toegepast voor het begrip “niet aangegeven inkomstengedeelte”. Een laattijdig aangeven inkomstengedeelte kan met andere woorden niet worden gelijkgesteld met een niet aangegeven inkomstengedeelte. Hoewel art. 444, eerste lid WIB’92 na voormelde wetswijziging bepaalde dat ook in geval van een laattijdige aangifte een belastingverhoging wordt opgelegd, was in deze optiek een belastingverhoging met betrekking tot het laattijdig aangegeven inkomstengedeelte in elk geval nog altijd uitgesloten.

 

Dit leidde tot geschillen tussen belastingplichtigen en de belastingadministratie en heeft de wetgever opnieuw tot ingrijpen aangezet. Zo wordt door de Wet van 27 juni 2021 houdende diverse fiscale bepalingen en tot wijziging van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten met ingang van 10 juli 2021, uitdrukkelijk bepaald dat een belastingverhoging ook wordt berekend op de op het “laattijdig aangegeven inkomstengedeelte verschuldigde belastingen”.

 

De vraag rijst of daarmee een einde wordt gemaakt aan discussies over het opleggen van een belastingverhoging in geval van een laattijdige aangifte. Welnu, de wetgever heeft het laatste zinsdeel van het eerste lid van art. 444 WIB’92 ongewijzigd gelaten. Dat voorziet dat de belastingverhoging wordt opgelegd volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld en gaande van 10 pct. tot 200 pct. van de op het niet aangegeven inkomstengedeelte verschuldigde belastingen. De Koning heeft dus slechts de bevoegdheid om in een schaal te voorzien voor belastingverhogingen betreffende het niet aangegeven inkomstengedeelte. Dat blijkt ook uit de artikelen 225 en 226 van het Koninklijk Besluit van 27 augustus 1993 tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna: KB/WIB’92), die ongewijzigd zijn gebleven. Zo wordt in art. 225 KB/WIB’92 de schaal vastgesteld van de belastingverhogingen bij niet-aangifte, andere dan inzake roerende voorheffing en bedrijfsvoorheffing, en wordt in art. 226 KB/WIB’92 de schaal vastgesteld van de belastingverhogingen bij onvolledige of onjuiste aangifte, andere dan inzake roerende voorheffing en bedrijfsvoorheffing. Nergens in het KB/WIB’92 wordt een schaal voorzien voor belastingverhogingen bij laattijdige aangifte.

 

Bij gebrek aan een schaal van belastingverhogingen bij laattijdige aangifte kan worden gesteld dat de belastingadministratie ook na voormelde wijzigingen van art. 444 WIB’92 in geval van een laattijdige aangifte nog altijd geen belastingverhoging kan opleggen.

 

Daarenboven verwijzen ook het derde en vierde lid van art. 444 WIB’92 enkel naar “niet aangegeven inkomsten”. Zo bepaalt het vierde lid van art. 444 WIB’92 dat de verhoging slechts wordt toegepast wanneer de niet aangegeven inkomsten 2.500 EUR bereiken. Bij gebrek aan minstens 2.500 EUR niet aangegeven inkomsten kan er dus hoe dan ook geen belastingverhoging worden opgelegd.