Doolaege, Verbist & De Meyere
Corona en termijnen.
04-05-2020

 

SITUERING


 

Het uitoefenen van rechten is termijn gebonden. Dit is waar voor ons rechtsbestel in het algemeen, maar zeker voor het belastingrecht. In elke fase van de belastingheffing - taxatie, geschil, invordering - worden termijnen opgelegd.

 

Thans leven wij in de uitzonderijke situatie waarin de overheid maatregelen heeft moet nemen die gaandeweg het stilvallen hebben meegebracht van het maatschappelijk, economisch, gerechtelijk en administratief leven, zodat het risico is ontstaan dat rechtshandelingen niet tijdig gesteld kunnen worden.

 

Daarom heeft de overheid bij K.B. nr. 2 van 9 april 2020 , verlengd bij K.B. van 28 april 2020 maatregelen genomen van termijnverlenging (BS 9 april 2020 en 28 april 2020, 2e Ed.). Zulks is intussen algemeen bekend.

 

Maar hoever gaan deze maatregelen, m.a.w. welke termijnen worden verlengd?

Dat wordt in deze beknopte bijdrage even van dichterbij bekeken.

 

 

WELKE TERMIJNEN ?


 

Hier is slechts één sleutel nodig om het toepassingsgebied van het K.B. nr. 2 qua termijnen te begrijpen: het gaat uitsluitend om termijnen voor hoven en rechtbanken van de rechterlijke macht, met uitzondering van strafzaken (tenzij die enkel burgerlijke belangen betreffen) en tuchtprocedures.

 

Welnu de organen van onze rechterlijke macht vinden wij terug in onze Grondwet, meer bepaald in ‘Titel III De machten, Hoofdstuk VI De rechterlijke macht’. Het gaat daar over de ‘gewone’ rechtbanken en hoven (vredegerechten, rechtbanken van eerste aanleg, hoven van beroep, Hof van Cassatie).

De termijnverlenging betreft zowel nog in te leiden als reeds hangende procedures.

 

In het eerste geval zal het gaan om termijnen binnen dewelke een vordering in rechte ingesteld moet worden.

 

Als deze termijnen verstrijken in de periode vanaf 9 april t.e.m. 17 mei as. (wordt geacht de Corona-gevoelige periode te zijn) worden zij met één maand verlengd vanaf het verstrijken van deze periode, d.w.z. dat zij lopen tot en met 17 juni a.s..

 

In het geval van reeds aanhangige zaken zal het gaan om termijnen voor het stellen van bepaalde proceshandelingen, bijvoorbeeld het neerleggen van een conclusie, of om het instellen van een rechtsmiddel (bijvoorbeeld hoger beroep). Verstrijkt de termijn in kwestie in de periode 9 april t.e.m. 3 mei, dan wordt hij verlengd tot en met 3 juni as. Oorspronkelijk, d.w.z. onder het regime van het K.B. nr. 2 van 9 april 2020, was de verlenging t.e.m. 3 juni 2020 ook van toepassing op de eerste categorie van gevallen, nl. deze binnen dewelke de vordering in rechte ingesteld moest worden op uiterlijk 3 mei 2020. Deze termijn is echter met 14 dagen verlengd door het K.B. van 28 april 2020. Waarom de verlenging van de termijn met 14 dagen niet uitgebreid is tot de tweede categorie gevallen (proceshandelingen m.b.t. reeds hangende procedures, of het gebruik van een rechtsmiddel), is ons niet meteen duidelijk.

 

Wel duidelijk is dat de termijnverlenging waarin voorzien wordt door Het K.B. nr. 2 enkel procedures betreft voor instanties die behoren tot de rechterlijke macht. Dat kunnen ook fiscale procedures zijn, maar dan bevinden we ons wel in de fase van de gerechtelijke geschillen. Alles wat zich daarvóór situeert valt buiten het toepassingsgebied van het K.B. nr. 2.

 

Dit K.B. zal dus niet kunnen ingeroepen worden, bijvoorbeeld om verlenging te bekomen van de termijn binnen dewelke de opbrengst van een verkocht bedrijfsactief wederbelegd had moeten worden om aanspraak te kunnen maken op het regime van de gespreide taxatie (artikel 47 WIB 1992), en evenmin om de verlenging van een bezwaartermijn in de inkomstenbelastingen te bekomen.

 

In het oorspronkelijke ontwerp van K.B. stond ook dat het van toepassing was op de Raad van State en op de federale administratieve rechtscolleges. Daarna heeft men geopteerd voor afzonderlijke K.B.’s.

 

Intussen is er een afzonderlijk K.B. voor de Raad van State (K.B. nr. 12 van 21 april 2020), maar geen voor de administratieve rechtscolleges. Om geen verkeerde verwachtingen te scheppen wat het verlengen van termijnen betreft, wijzen wij er op dat de instanties die oordelen over het administratief beroep in fiscale zaken, in de regel niet als een administratief rechtscollege te beschouwen zijn.

 

 

ANDERE TERMIJNVERLENGINGEN


 

Waar het K.B. nr. 2 alleen relevant is voor de gerechtelijke fase van fiscale procedures, rijst natuurlijk de vraag of termijnverlenging niet via een andere weg kunnen weg kunnen bekomen worden.

 

Het antwoord is bevestigend.

 

We mogen immers niet uit het oog verliezen dat elke belastingplichtige verlenging van eender welke termijn kan bekomen in geval van overmacht. Hij zal dan wel moeten aantonen dat hij als gevolg van de coronamaatregelen niet in staat is geweest binnen de wettelijke termijnen aan zijn fiscale verplichtingen te voldoen. Als hij de Fiscus daar niet kan van overtuigen, dan zal hij zijn zaak voor de rechter moeten brengen.

 

En tenslotte zijn er ook de tegemoetkomingen van de Administratie, doorgaans op het vlak van aangifte- en/of betalingstermijnen inzake de belastingen (waaronder de bedrijfsvoorheffing) of BTW, waaraan reeds uitvoerig aandacht is besteed , zowel door de betrokken administraties, als in de pers en de vakliteratuur.

rechtbank

 

 

 

 

 

 

 

 

 

BESLUIT


De draagwijdte van het K.B. nr. 2 is beperkt en betreft eigenlijk alleen de fase van het geschil voor de rechter aanhangig is, of aanhangig moet gemaakt worden.

 

Het belangrijkste is dat de termijn voor het inleiden van een vordering in rechte die vervalt in de periode 9 april 2020 – 17 mei 2020, automatisch verlengd wordt tot en met 17 juni 2020.

 

De termijnen voor het stellen van een proceshandeling of het aanwenden van een rechtsmiddel die vervallen in de periode 9 april 2020 – 3 mei 2020 worden automatisch verlengd tot en met 3 juni 2020.

 

Op termijnverlenging kan ook in andere gevallen aanspraak gemaakt worden op basis van overmacht als gevolg van Corona, maar dan moet men dit wel kunnen bewijzen.