Doolaege, Verbist & De Meyere
De Nationale Bank van België verduidelijkt waakzaamheidsplicht financiële instellingen bij (toekomstige/reeds verrichte) repatriëringen van buitenlandse tegoeden.
04-10-2021

AANLEIDING

Traditioneel houden/hielden talrijke Belgische rijksinwoners een deel van hun vermogen aan in het buitenland (Luxemburg, Zwitserland, …). Hoewel dit in veel gevallen legitieme redenen heeft, bleek dat dit ook tot doel had de illegale herkomst van de betrokken geldmiddelen te verhullen of de taxatie van de opbrengsten te vermijden.

 

Om diverse redenen (internationale gegevensuitwisseling, “onbruikbaarheid” van buitenlandse tegoeden, …) zijn veel Belgische rijksinwoners hun in het buitenland aangehouden tegoeden naar Belgische rekeningen beginnen te repatriëren.

 

De Belgische financiële instellingen (kredietinstellingen, beursvennootschappen, verzekeringsinstellingen, …), waarnaar een cliënt in het buitenland aangehouden tegoeden wenst te transfereren, dienen op grond van de anti-witwaswetgeving verschillende ‘waakzaamheidsverplichtingen’ in acht te nemen.

 

Zo zijn de Belgische financiële instellingen verplicht om een melding te doen aan de Cel voor Financiële Informatieverwerking (CFI) wanneer ze “weten, vermoeden of redelijke gronden hebben om te vermoeden dat geldmiddelen, (pogingen tot) verrichtingen of feiten verband houden met witwassen van geld of de financiering van terrorisme”. De CFI zal vervolgens een analyse uitvoeren en zal, wanneer blijkt dat er een ernstige aanwijzing bestaat van witwassen van geld, de betreffende informatie meedelen aan de Procureur des Konings/federale procureur, die dan op zijn beurt een strafrechtelijk onderzoek kan starten.

 

Binnen de financiële sector bestaat veel onduidelijkheid over de concrete toepassing van deze ‘waakzaamheidsverplichtingen’ in het kader van de repatriëring van buitenlandse tegoeden en over de vraag wanneer een melding aan de CFI verricht dient te worden. De omvang van de verplichtingen werd door de financiële instellingen op een verschillende wijze werd ingevuld, hetgeen concurrentieverstorend werkte. Daarom heeft de Nationale Bank van België (NBB) – in haar hoedanigheid van toezichthouder – op 8 juni 2021 een circulaire gepubliceerd waarin verduidelijkingen en waarborgen geboden worden met betrekking tot de verwachtingen van de NBB. De circulaire heeft o.a. tot doel om een gelijk speelveld tot stand te brengen in de sector.

 


RICHTSNOEREN VAN DE NBB

 

In de circulaire zijn verschillende richtsnoeren voor de financiële instellingen opgenomen met betrekking tot de verwachtingen inzake de opsporing en melding van verdachte verrichtingen en geldmiddelen aan de CFI en de verwachtingen inzake de verificatie van de herkomst van de geldmiddelen.

 

Hoewel de NBB als uitgangspunt neemt dat de belegging van geldmiddelen in het buitenland niet a priori als onrechtmatig kan beschouwd worden, vereist zij dat de financiële instellingen zorgvuldig nagaan of de geldovermaking in overeenstemming is met het doel en de aard van de zakelijke relatie of de voorgenomen verrichting en met het risicoprofiel van de cliënt. Elke geldovermaking die niet als een normale of gewone verrichting van de cliënt kan worden beschouwd, dient onderworpen te worden aan een grondige analyse. Bij deze grondige analyse zal de financiële instelling aan de betrokken cliënt vragen stellen in verband met de herkomst van de tegoeden en zal zij hierover documenten opvragen. In de circulaire wordt aangegeven welke documenten de financiële instellingen dienen op te vragen (waarbij o.a. de hypotheses van de schenking, nalatenschap, verkoop onroerend goed en ontvangen bezoldigingen worden toegelicht) en hoe zij dienen te reageren indien er geen/onvoldoende documenten bezorgd (kunnen) worden.

 

Indien het onderzoek een vermoeden van witwassen/ernstige fiscale fraude oproept, zal de financiële instelling in principe een melding dienen te verrichten aan de CFI. Enkel indien de cliënt alle nuttige en noodzakelijke maatregelen heeft genomen om de fiscale status van alle betrokken geldmiddelen te regulariseren, kan dit vermeden worden.

 

TELLEN

ZELFCONTROLE

 

Naast de verschillende ‘richtsnoeren’ die in de circulaire worden opgenomen, vraagt de NBB aan bepaalde types financiële instellingen, nl. die vermogensbeheeractiviteiten uitoefenen en die levensverzekeringsovereenkomsten met een eenmalige premie uitgeven, om een interne audit uit te voeren naar de interne procedures betreffende de waakzaamheidsverplichtingen met betrekking tot de repatriëring van geldmiddelen uit het buitenland. Daarnaast moeten zij de naleving in concreto van deze procedures aan een grondig onderzoek onderwerpen. Deze audit op basis van steekproeven moet erop gericht zijn vast te stellen of en in hoeverre de fiscale rechtmatigheid van de geldmiddelen die eerder door hun cliënten zijn gerepatrieerd en die zij momenteel nog aanhouden, opnieuw moet worden onderzocht. De NBB verwacht tegen 31 oktober 2021 een planning voor de uitvoering en afronding van het onderzoek van de interne audit, die uiterlijk op 30 juni 2022 rond moet zijn. Het interneauditverslag dient aan de NBB te worden bezorgd en kan tot twee conclusies leiden :

  • Indien de interne audit uitwijst dat de financiële instelling haar verplichtingen op redelijke wijze heeft nageleefd (d.w.z. dat zij op een geloofwaardige manier heeft voldaan aan haar waakzaamheidsverplichting ten aanzien van de gerepatrieerde geldmiddelen), beschouwt de NBB het onderzoek als afgesloten.
  • Indien het onderzoek van de interne audit aanzienlijke tekortkomingen aan het licht brengt, dient de financiële instelling een proportioneel actieplan op stellen, waarbij de betrokken repatriëringen worden onderworpen aan een nieuw onderzoek. Dit actieplan moet drie maanden na de afronding van de interne audit worden opgemaakt en aan de NBB te worden bezorgd.

 

 


BELANG

 

Wegens de risico’s die de financiële instellingen lopen wanneer zij de waakzaamheidsverplichtingen niet of onvoldoende naleven (o.a. strafrechtelijke vervolging), stellen zij zich streng op bij het aanvaarden van tegoeden uit het buitenland.

 

De gevraagde interne audit betekent bovendien dat niet alleen personen die nog een buitenlands vermogen aanhouden en die hun tegoeden wensen te repatriëren onderworpen worden aan een uitgebreid onderzoek door de Belgische financiële instelling, doch dat ook personen die reeds in het verleden buitenlandse tegoeden hebben gerepatrieerd, geconfronteerd kunnen worden met bijkomende vragen.

 

Indien door de financiële instellingen vragen worden gesteld (n.a.v. van een voorgenomen repatriëring, dan wel in verband met een in het verleden gedane repatriëring), zal het aangewezen zijn om de nog beschikbare stukken te verzamelen die de herkomst van het vermogen aantonen. Indien de bijgebrachte documenten niet volstaan en/of er inderdaad ernstige fiscale inbreuken blijken, kan er tot en met 31 december 2023 nog voor geopteerd worden om – op basis van de wet van 21 juli 2016 – een regularisatieaangifte in te dienen bij het Contactpunt Regularisaties te Brussel, doch enkel voor ontdoken federale belastingen. Deze mogelijkheid wordt afgeschaft met ingang van 1 januari 2024.

Het is niet duidelijk of er na deze datum nog een regularisatie zal kunnen gebeuren en dus of tegoeden – waarvan de herkomst niet kan worden aangetoond – überhaupt nog gerepatrieerd zullen kunnen worden. Voor fiscaal verjaarde inbreuken inzake successierechten liep de regularisatiemogelijkheid tot 31 december 2020. Daarvoor kan een rechtzetting via de bevoegde administratie onderzocht worden.

 

Algemeen is het absoluut aanbevolen dat personen die tegoeden in buitenland aangehouden hebben/aanhouden alle documenten die de herkomst van deze tegoeden aantonen, blijven bewaren. Als deze niet onmiddellijk voorhanden zijn, worden deze in de mate van het mogelijke nog verzameld (o.a. door opvraging van gegevens bij de buitenlandse financiële instellingen).

Hierbij dient ermee rekening gehouden te worden dat de buitenlandse banken de bankdocumenten slechts voor een beperkte periode (doorgaans 10 jaar) bewaren, waardoor naar mate de tijd verloopt er minder documenten beschikbaar zijn. Ook is het van belang de documenten betreffende de herkomst ter beschikking te houden van de erfgenamen of rechtsopvolgers.

 


Indien u hieromtrent verdere vragen hebt kan u contact opnemen met Mr. Ann Verbist of Mr. Laurens Vergauwe.