Doolaege, Verbist & De Meyere
Meer zorgverstrekkers voortaan btw-plichtig ingevolge wetswijziging ?
05-10-2021

De btw-richtlijn voorziet in een vrijstelling voor de medische verzorging in het kader van de uitoefening van medische en paramedische beroepen. Deze vrijstelling werd omgezet in Belgische wetgeving en ligt verankerd in artikel 44, §1 WBTW.

 

Het doel van deze vrijstelling is dubbel.

Ten eerste moet de toegankelijkheid van de gezondheidszorg worden bevorderd.

Ten tweede wenste de communautaire wetgever de kwaliteit van de zorgverlening te garanderen door het toepassingsgebied van de vrijstelling te beperken tot zorgverleners die een voldoende kwaliteitsniveau hebben.

 

Deze bepaling werd reeds een aantal keer aangepast en wordt, ingevolge de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof en van het Hof van Justitie (GwH 28 september 2017, nr. 106/2017, GwH 5 december 2019, nr. 194/2019, HvJ 27 juni 2019, C-597/17), bij wet van 11 juli 2021 met ingang van 1 januari 2022 ingrijpend gewijzigd, waardoor mogelijk meer zorgverstrekkers (in tegenstelling tot wat voorheen het geval was) BTW moeten aanrekenen over de door hen verrichte diensten.

 

De noodzakelijke hervorming van de btw-vrijstelling voor medische en paramedische beroepen behoudt de vrijstelling voor medische en paramedische beroepen.

arts vrouw

arts man

 

 

 

 

 

 


 

De wijziging situeert zich op twee vlakken.

  • Enerzijds is er een uitbreiding van het personeel toepassingsgebied. De vrijstelling wordt voortaan niet langer exclusief voorbehouden aan de beoefenaars van gereglementeerde medische of paramedische beroepen. De beoefenaars van andere beroepen komen vanaf 1 januari 2022 in aanmerking voor de vrijstelling inzake BTW wanneer zij over de nodige kwaliteitsvereisten beschikken (zoals door het Grondwettelijk Hof reeds wordt aanvaard voor chiropractors en osteopaten).
  • Anderzijds wordt het materieel toepassingsgebied ingeperkt. De vrijstelling is voortaan enkel van toepassing op therapeutische behandelingen.

 

De focus wordt aldus niet langer gelegd op de hoedanigheid van de verstrekker van de diensten, maar op de aard van de verleende diensten zelf.

Evenmin is het van belang of de verleende diensten al dan niet zijn opgenomen op de lijst van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen van de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, dan wel of ze al dan niet beantwoorden aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor tegemoetkoming overeenkomstig de reglementering betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen.

 

Volgens rechtspraak van het Hof van Justitie werd reeds vóór deze wetswijziging aanvaard dat medische verzorging dus een therapeutisch doel moet hebben, zonder dat dat doel weliswaar bijzonder strikt moet worden opgevat.

 

De memorie van toelichting verduidelijkt dat niet alleen de diensten die esthetisch van aard zijn worden uitgesloten van de vrijstelling, maar ook de diensten die niet esthetisch van aard zijn maar die, meer in het algemeen, geen therapeutisch doel hebben.

 

De memorie van toelichting preciseert ten slotte dat wanneer deze vrijstelling niet kan worden toegepast, de beroepsbeoefenaars bedoeld in artikel 44, § 1, eerste lid, (nieuw) WBTW de vrijstellingsregeling voor kleine ondernemingen zoals bedoeld in artikel 56bis WBTW kunnen toepassen wanneer de omzet uit niet-vrijgestelde handelingen niet hoger is dan 25.000 EUR.

 


 

De fiscale administratie zal een circulaire publiceren zodat met betrekking tot de omvang en het toepassingsgebied van de vrijstelling één en ander wordt verduidelijkt. De circulaire wordt vóór het jaareinde verwacht.

Of en wanneer de patiënt BTW zal moeten betalen en wat de concrete gevolgen zijn voor de zorgverstrekkers zal op dat ogenblik duidelijk worden. Wordt aldus vervolgd…

 


Met uw vragen kan u terecht bij DVDTAXLAW, mr. Leen De Vriese